| Deze
5J3 DELUXE (febr.2005) is het resultaat van mijn plan om es een clone samen te
stellen uit nieuwe en oude onderdelen, met het doel zo dicht
mogelijk in de buurt van een originele Fender 5E3 uit de eind 50-er
jaren komen. Gelukkig had ik van mijn vriend AL een origineel en gaaf exemplaar
uit 1959 te leen om e.e.a. te kunnen onderzoeken en vergelijken. Hetzelfde wat voor mijn 5J6Bassman geldt is hier ook van toepassing: ik
weet dat een exacte kopie niet haalbaar is. Hoeft ook niet want dan kun je
beter meteen een originele ouwe kopen. Het leuke vind ik toch om er zelf een te bouwen. Desalniettemin streef ik
zoveel mogelijk naar kwaliteit en vintage toon. Bovendien is de compacte 12W Tweed Deluxe een erg favoriete versterker onder zowel gebruikers (b.v. Neil Young, Billy Gibbons) als onder de zelfbouwers. Ik heb in 2004 eerst een andere versie gebouwd, de 1955 uitvoering. Het cabinet van die amp is zo'n 5 cm. smaller. Vanaf 1956 werd dit breder en ik heb het verschil ervaren als groter, voller geluid en ook muzikaler. Het kleinere '55 cabinet klonk wat doziger. Toen ik eind 2004 een 5E3-chassis (MARBLE-chassis, zéér degelijke constructie en mooi chroomwerk) kon bemachigen met een FNS-PT erop ben ik een nieuwe versie gaan bouwen. Ditmaal met een TAD-5E3 cabinet wat de vintage-correcte bouwwijze en materiaal heeft. Heb deze versterker met plezier anderhalf jaar gebruikt tijdens repetities, studio-opnamen (héél bruikbare sound) en thuis. Toen vorig jaar een kennis van me, Len David, die al 'n jaar eerder mijn blonde Bassman had overgenomen, een goeie kwaliteit Tweed Deluxe zocht voor kleinere optredens en studiowerk en ik toch weer nieuwe plannen had, vond deze 5J3 in hem een nieuwe en tevreden eigenaar. Len David speelt o.a. in The Pink Floyd Sound ( febr.2007) |
|
Rechts is de 1959Tweed Deluxe, puntgaaf en op
het tweed na helemaal origineel incl. de Jensen P12R die nog aan boord
is. De sound is ranziger, compacter/vlakker, nergens onaangename
pieken en heeft zéér smeuïge oversturing mede veroorzaakt door
de vroeg opbrekende oude speaker. Ik zou het niet durven om daar lang
hard over te spelen omdat de powerhandling van een oude P12R na
al die jaren flink is afgenomen. Het karakter van deze sound wordt
behalve door de speaker voor een groot deel gevormd door de ouwe
TRIAD uitgangstrafo en de ASTRON coupling- en tonecaps. Daarmee
noem ik meteen alle componenten op die mijn clone niet heeft.
Mijn 5J3 komt doordat ik voornamelijk vintage
componenten gebruikt heb heel close bij het origineel. Naast vintage
parts heb ik de kwalitatieve goede uitgangstrafo van MercuryMagnetics
genomen en als speaker een Weber P12R. Vergeleken met het
origineel is het hem gewoon nét niet, heel simpel, maar toch
ben ik dik tevreden over het eindresultaat. Ik heb later nog enkele
TAD-kits van deze Tweed Deluxe samengesteld voor wat bevriende
gitaristen. Deze hadden niet dezelfde onderdelen die ik bij mijn 5J3
gebruikt heb en het resultaat is dan ook dat
ze niet zo goed klinken vind ik. Het gebruik van kwalitatief
goede (liefst ook oude) parts vind ik qua sound echt tot een
verbetering leiden.
|
|
Zoals je kunt zien is het MARBLE-chassis iets anders ingedeeld en heeft het een 3e buisgat voor een extra pre-ampbuisje i.v.m. de reverboptie die zij hebben.
|
Het boardje is old style sandwich en uiteraard bedraad met clothwire. Als eerste begonnen met het "underboard"
gedeelte zoals het vroeger in de 50's ook zat. |
Bij de oorspronkelijke 5E3 is een van de
beide filamentdraden op 6,3V aangesloten terwijl de andere aan
aarde ligt. Dit is zeg maar old style. Later ging Fender 3,15V per draad
hanteren wat samen 6,3V leverde. Ik heb gekozen voor optie twee, de
modernere dus, en heb de draden 'getwist' aangelegd om de kans op
brommetjes zo klein mogelijk te houden. In het begin heb ik twee
100 ohm weerstanden gebruikt als aardereferentie maar later heb ik deze
vervangen door een 'humbalance' potmeter. Ik kan hem nu 100%
stil krijgen op elke stand van de volumepot.
|
|
|
|
De gebruikte parts
waarvoor ik gekozen heb zijn: |
Hier zit het board al gemonteerd in het chassis. Je ziet hier nog de tonecaps aan de potmeters : N.O.S. molded mica's uit de 50's. Deze werden toen net zo in de Tweed Fenders gebruikt. Na wat tests (en reeds vervangen Powertrafo, zie onderaan) merkte ik dat er nog een lichte brom aanwezig bleef. Ook de originele 5E3 had dit, maar is niet erg goed te beoordelen omdat die nog zijn originele Filtercaps heeft. Maar het blijkt dat de
inputs toch een kleine aardlus veroorzaken. Ik heb dit later maar opgelost
door van elk kanaal 1 (de low in dit geval) input weg te halen. Zelfs nog
tijdje gekozen voor slechts 1 input, toen was de amp echt 100% stil. |
|
De gelijkrichterbuis is een N.O.S. RCA 5Y3GT. Als je een NOS hiervoor gebruikt ben je er ook zeker van dat het daadwerkelijk een 5Y3 is. Er zijn nieuwe in omloop die gewoon 5V4(!) maar gelabeld als 5Y3 zijn. Je hebt dan zo'n 30V hogere B+ spanning. Bij de TAD-kits zit er ook zo een, fout dus. Pre-ampbuisjes gebruik ik altijd een mix van Philips, Telefunken en N.O.S. USA. De eindbuizen op de foto waren nog testexemplaren. Hierna heb ik er N.O.S. USA 6V6GTY's van SYLVANIA in gezet. De originele 5E3 heeft geen klemmen om de eindbuizen zitten, dus het risico is er dat ze eruit vallen, wat dan ook wel es gebeurd. Om dit te voorkomen heb ik in de mijne klemmen gemonteerd. Voor de eindbuizen de veren-typen daar de Sylvania's no-base buizen zijn en gewone klemmen anders tegen het glas zouden zitten. |
| Hier
zie je de FNS-PT en de Mercury Magnetics OT, type 59Tweed Deluxe. De PT bij deze kleine Fenders zit eigenlijk fout gemonteerd. Bij de grotere broers zit hij een kwartslag gedraaid, dit om een strooïngsveld te voorkomen wat brom veroorzaakt omdat de OT te dichtbij zit. Daar had deze 5J3 dus ook last van en niet zo'n beetje. Heb de PT toen nog op extra boutjes gezet zodat de lamellen geen rechtstreeks contact meer maakten met het chassis, maar dat had geen baat.Bij de Marble-versie staat de OT ook helemaal op het andere uiteinde van het chassis, maar dat zag ik niet zitten. Toen ik merkte bij de TAD-kits dat die er geen last van hadden, heb ik achteraf nog zo'n TAD PT geïnstalleerd en was het probleem ook opgelost. Het is een USA-made PT met een koperstrip eroverheen. Als knoppen weer crème pointerknoppen zoals op al mijn amps. |
Ik ben groot voorstander van geforceerde koeling in mijn amps. Je houdt zo een hele avond dezelfde sound, die zakt niet in na een tijdje. Daarbij blijven je onderdelen in de omgeving van de PT en de hete eindbuizen langer gezond. Zeker bij een cathode-biased amp zoals deze die erg heet wordt juist als je niet speelt. In deze tweed amps heb je heel mooi de mogelijkheid een vaste ventilator in te bouwen en deze b.v. aan te sluiten op de toch ongebruikte groundswitch. Ik neem 230V-venti's en tap de spanning na de ON-switch af. Het cabinet is een nieuw TAD-exemplaar 5E3. Solid pine met fingerjoint verbindingen, gelakt tweed, vederlicht en net als een origineel heel resonant. Speaker: In 1e instantie heb ik ook voor een P12R gekozen, om de originele te benaderen en wel voor een WEBER. Dit geeft een vrij compacte sound, geen overdreven bassen en vroege break-up. De speaker vervormt mee. Heb echter veel speakers utgeprobeerd in deze amp: Blue Dog Weber (ruiger, middensoundje, bijtender hoog), Weber P12N (dan is de amp een stuk efficiënter maar ook donkerder en véél bas, vandaar de brightswitch), Celestion BULLDOG R.I.(klasse speaker, mooi glazig hoog, mooie break-up, stevige onderkant), Celestion G12H30 uit 1970 (heel mooi, mijn smaak, efficiënt, mooi laag, open mid, niet zo fel in het midden dan de bulldog en mellow door leeftijd).
|
En zó is ie uiteindelijk naar zijn nieuwe eigenaar gegaan. Je ziet hier ook de TAD PT al gemonteerd. De ouwe filtercaps, waar ik
zelf altijd mee speel, zijn nu vervangen door nieuwe F&T filercaps wat
de betrouwbaarheid ten goede komt natuurlijk. Ook zie je hier tussen de 2
preampbuisjes de humbalance-pot zitten waarvan ik het asje er extra aan
heb gelaten, zodat je de amp overal ter plekke even snel kunt
"ontbrommen". |
|
|
|